6 De positie bepalen in de zoektocht naar God

De positie bepalen binnen de zoektocht naar God is verweven met de kern van de menselijkheid: het voortdurende schommelen tussen kracht en terughoudendheid. Het geeft de werkelijkheid aan zoals het leven zich voordoet. Het laat ongeloof als een acceptatie staan en geloof ontdekken. De vraag ontstaat of afhankelijkheid een middel moet worden om een positie te bepalen op zoek naar God. De positie van God, waarover onzekerheid bestaat, is hierbij geen lijdende factor in alles waar de mens voor wil staan.

En al zou het wel zo zijn, voor de mens blijft het geen volle overtuiging. Niet ondanks, doch juist door die menselijkheid die altijd de grote rol speelt in de zoektocht. Daarom kan de menselijke positie nooit de uitkomst vastleggen die uiteindelijk wordt verwacht, omdat het Goddelijke een andere dimensie heeft. De vrijheid die door deze stelling ontstaat, maakt dat ongeloof en geloof de volledige menselijke vrijheid omvatten om te ontdekken. In deze werkelijkheid kan de beheersing van het leven tegenover het geloof zelfs een tegengeloof laten zien: het afzetten tegen alles wat het geloof omvat. Ieder begin, in wat voor positie ook, kan het menselijke en Goddelijke omvatten en laten wankelen.

Waarom bevindt de mens zich op dit moment in zijn zoektocht? Is het nodig te weten waar de mens staat op dat moment? Moet het ergens afhankelijk van zijn, of draagt het bij aan een vaste geloofswereld? Vanuit verlangen of herinneringen wordt de positie bepaald, omdat het onmogelijk is de mens in zijn geheel daar buiten te sluiten. De positie die wordt opgeroepen, raakt niet slechts het denken, maar het hele menselijke bestaan.

In dit alles blijft de menselijkheid niet buiten spel; de kracht van het leven wint terrein. Zij bevat ook het vermogen om grote invloed uit te oefenen. Er mag verwacht worden dat God daar deel van uit maakt met menselijkse onwetendheid. Met deze spanning mag de beheersing van het leven ten opzichte van het geloof grote twijfel over het geloof laten zien.

6-1 Uitersten

In sommige gevallen, wanneer het gaat over het bepalen van een postie, wordt gedacht aan het beste naar boven halen. Toch kan een positie ook ontstaan vanuit een nulmoment, een staat van pure onmacht. Uitersten zijn vooral herkenbaar tussen momenten van geluk en verdriet, het goede en het kwade. Soms zijn het momentopnames, soms slopende kwesties. Zowel gelovigen als ongelovigen herkennen deze uitersten in hun bestaan. Het geloof in God draagt niet altijd bij aan een stabiele uitkomst.

Vooral ongelovigen, maar ook gelovigen, vinden deze menselijke uitersten terug tijdens hun vragen over God. Vanuit dit perspectief gezien is het niet uitzonderlijk dat geloof of ongeloof steeds opnieuw schijnbaar nieuwe ontwikkelingen laat zien.

6-2 Over de invloed van intelligentie bij het bepalen van een positie ten opzichte van het geloof

Wie bepaalt de mate van intelligentie binnen het geloof? Kennis, leeftijd en maatschappelijk  positie zouden daarbij geen rol moeten spelen. 

Tijdens het leven en ook in de zoektocht naar God vormt intelligentie geen hinderpaal, noch een garantie, maar wel een belangrijke uitdaging tot ontwikkeling. De ontwikkeling die een mens gedurende het gehele leven doormaakt, laat steeds opnieuw een andere vorm van kennis zien. Iedere vorm van menselijkheid kan worden ingezet. En iedere vorm van verandering is acceptabel in de zoektocht naar God.  Zij markeert de persoonlijke positie binnen het weten van geloof, twijfel, intelligentie en onwetendheid.

Misschien is het de ratio die een rol kan spelen, omdat er afwegingen ontstaan door onwetendheid en of misschien speelt de wetenschap een rol of de kunst en cultuur. Het is acceptabel om de mensheid in ontwikkeling een stem te geven. Dat is evident. Intelligentie kan een visie ontvouwen over hoe het geloof ervaren kan worden zonder een geloofsovertuiging. Intelligentie kan ook een visie ontvouwen over het afwegen van onwaarheden en waarheden. Zij is onderdeel van het geheel waarmee het geloof gezocht kan worden. De vraag blijft: wat ziet men ten opzichte van het geloof als een vorm van intelligentie? In wezen is elke positie mogelijk. Intelligentie zet in op vragen gericht op God en op vragen gericht op de mens.

Kort gezegd is eigenlijk alles mogelijk. Wie het verstand uitschakelt, stelt zich bloot aan willekeur, maar is niet verloren. Wie niet vertrouwt op God, is niet afgesloten van het geloof. Het inzetten op het grote mysterie is misschien wel een uitgangspunt voor de openheid in relatie tot God. Intelligentie binnen het geloof is misschien zelfs niet aan de orde, afhankelijk van de houding die de zoektocht vraagt; zij bevindt zich tussen evenredigheid en verstand. Juist in het midden van het niet-weten verschijnt een eerste glimp van geestelijke vrijheid, waarin de ruimte van het geloof opnieuw zicht krijgt. Zij beweegt zich ergens tussen evenredigheid en inzicht.

Intelligentie kan scherpstellen waar verwarring dreigt, waar de eenvoud te grof is. Toch ligt het hart van het zoeken nooit in een sluitend betoog. Geloof groeit zelden vanuit bewijs: het ontvouwt zich als een ervaring, als een geestelijke ontwikkeling.

Deze uitspraken bevatten misschien een waarheid, maar het ware hulpmiddel is de ontmoeting tussen mens en God. Geraakt worden of inzicht verkrijgen is persoonlijk en onafhankelijk van enig intellect. Hiermee kan de intelligentie groeien in de afstemming die door de mens zelf wordt gemaakt. Ervaring en vrijheid spelen een cruciale rol, zodat de mens waardigheid mag voelen in de reis van geloof en menselijkheid.

Geraakt worden of inzicht verkrijgen is persoonlijk en onafhankelijk van intellectueel vermogen. De positie in de zoektocht naar God is geen vast punt, geen berekende plaats op een kaart. Zij beweegt mee met ervaring en herinnering. In de uitersten en in onmacht, in twijfel en in inzicht, toont zich de mens als zoeker. Het mysterie van het geloof ontsnapt telkens aan definitieve grenzen, en juist daardoor blijft het zoeken zelf een levende weg waarin vrijheid en menselijkheid niet van elkaar te scheiden zijn.